Wat komt er allemaal kijken bij een algemene vergadering van aandeelhouders? Deel 1: hoe vaak moeten aandeelhouders vergaderen?

Wat komt er allemaal kijken bij een algemene vergadering van aandeelhouders? Deel 1: hoe vaak moeten aandeelhouders vergaderen?

In een BV (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) hebben de aandeelhouders het uiteindelijk voor het zeggen. Zij beslissen over de belangrijkste onderwerpen, zoals – om er maar een paar te noemen – de benoeming en ontslag van bestuurders, uitkering van dividend, statutenwijziging en liquidatie.

Die besluitvorming door de aandeelhouders vindt plaats in de algemene vergadering van aandeelhouders, ook wel gewoon algemene vergadering genoemd, of AvA. Dat is niet alleen een bijeenkomst waarin vergaderd wordt en besluitvorming plaatsvindt, maar ook een orgaan van de vennootschap, waaraan specifieke bevoegdheden toekomen. Zie het maar als het parlement van de vennootschap.

Er komt aardig wat kijken bij het houden van de algemene vergadering van aandeelhouders. Vragen die daarbij opkomen zijn: hoe vaak moet er vergaderd worden, wie moet of mag een algemene vergadering bijeenroepen, waaraan moet de oproeping voldoen? Maar ook: wie moeten er worden uitgenodigd en wie hebben er stemrecht? En, hoe zit het met elektronische vergaderingen en besluitvorming buiten vergadering?

Voor de geldigheid van de genomen besluiten is het belangrijk dat de formaliteiten in acht genomen worden. Die liggen vast in de wet en de statuten.

In de komende periode zal ik door middel van verschillende blogartikelen diverse belangrijke stappen in dit proces nader toelichten. In dit eerste blog hierover behandel ik de vraag hoe vaak een algemene vergadering moet plaatsvinden. 

Vraag: Hoe vaak moeten de aandeelhouders vergaderen?

Dat hangt er natuurlijk van af hoe vaak er binnen de BV onderwerpen spelen waarbij de algemene vergadering van aandeelhouders een rol heeft. Omdat het bestuur ieder jaar met een jaarrekening en bestuursverslag verantwoording aflegt aan de aandeelhouders, waarover de aandeelhouders iets moeten vinden, zullen de aandeelhouders dus minimaal eenmaal per jaar bijeen moeten komen om deze te bespreken en een besluit over de vaststelling daarvan te nemen.

Artikel 218 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (dat ook kan worden genoteerd als: art. 2:218 BW) bepaalt daarom dat in beginsel tijdens ieder boekjaar ten minste één algemene vergadering wordt gehouden. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk.

Uitzondering 1: Alle aandeelhouders zijn bestuurders 

Als iedere aandeelhouder ook bestuurder van de BV is, is het natuurlijk niet zinvol dat de aandeelhouders nog eens specifiek over de door het bestuur opgemaakte jaarrekening een besluit nemen. Want als alle bestuurders het met de jaarrekening eens zijn, en die hebben ondertekend, zullen ook alle aandeelhouders het met de jaarrekening eens zijn. Daarom bepaalt de wet dat als in een dergelijk geval de jaarrekening is ondertekend door alle bestuurders (en commissarissen als die er zijn), daarmee de jaarrekening ook gelijk is vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders. Wel moeten ook alle andere vergadergerechtigden (wie kunnen dat zijn, wordt in een van deel 4 van deze serie uitgelegd) kennis hebben kunnen nemen van de jaarrekening, en ermee hebben ingestemd dat op deze wijze besluitvorming over de jaarrekening plaatsvindt. Dit wordt geregeld in art. 2:210 lid 5 BW. En in dat geval is dan geen aparte vergadering van aandeelhouders meer nodig.

Uitzondering 2: Besluitvorming door de algemene vergadering buiten vergadering 

Aandeelhouders kunnen ook besluiten nemen, zonder dat zij daarvoor in een vergadering bijeen komen. Dat wordt geregeld in art. 2:238 BW. Hoe deze besluitvorming buiten vergadering werkt wordt uitgelegd in deel 7 van deze serie.

Antwoord: minimaal eenmaal per jaar

Aangezien het bestuur ieder jaar een jaarrekening moet voorleggen aan de algemene vergadering, zal dus minimaal eenmaal per jaar vergaderd moeten worden. Maar er mag ook buiten vergadering een besluit over de jaarrekening genomen worden. En als alle aandeelhouders ook bestuurders zijn en bovendien aan enkele andere eisen is voldaan, is het ondertekenen van de jaarrekening door de bestuurders (en commissarissen) ook voldoende.

Zijn er in een jaar ook andere onderwerpen aan de orde, waarover de algemene vergadering op grond van de wet of de statuten iets te zeggen heeft, dan kan het natuurlijk nodig zijn dat er vaker een vergadering wordt gehouden.

Is uw vraag nog niet beantwoord of hebt u behoefte aan advies, neem dan contact met ons op. Wij helpen u graag verder.

Lees ook de andere artikelen in deze serie:

Deel 2: Het bijeenroepen van de algemene vergadering van aandeelhouders

Deel 3: De agenda

Deel 4: Vergaderrecht en vergadergerechtigden

Deel 5: Elektronisch vergaderen

Deel 6: Stemrecht en besluitvorming

Deel 7: De notulen

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

wegwijzer

One- or two-tier board?

Sinds 2013 is het voor NV's en BV's mogelijk om in plaats van het bekende two-tier model (bestaande uit een bestuur en een Raad van Commissarissen / Raad van Toezicht) met een one-tier board te werken. En vanaf 1 juli 2021 wordt dit ook mogelijk voor verenigingen en stichtingen. Waarom zou je voor het ene of het andere model kiezen?

Two-tier board

Het meest bekende en toegepaste bestuursmodel in Nederland is het two-tier model, ook wel dualistisch bestuursmodel genoemd. Bij dit model is een duidelijke scheiding tussen besturen en toezichthouden. Het bestuur bestuurt, heeft de dagelijkse leiding over de organisatie. De Raad van Commissarissen of Raad van Toezicht houdt toezicht op het bestuur.  

One-tier board

Bij een one-tier board is er sprake van één bestuur, waarin zowel uitvoerende bestuurders als niet-uitvoerende bestuurders zitten. Daarom wordt dit model ook wel het monistische bestuursmodel genoemd. Hierbij vervullen de niet-uitvoerende bestuurders de toezichthou-dende rol. Niet uitvoerende bestuurders moeten altijd natuurlijke personen zijn, terwijl uitvoerende bestuurders een natuurlijk persoon of een rechtspersoon mogen zijn.  

De volgende taken dienen bij de niet-uitvoerende bestuurders belegd te worden:

  • Toezicht op de taakvervulling van de uitvoerende bestuurder(s)
  • Voorzitterschap van het bestuur
  • Voordragen van kandidaten voor het bestuur
  • Vaststellen bezoldiging bestuur

Voor- en nadelen

Het verwachte voordeel van een one-tier board is dat bestuurders eerder en meer informatie krijgen dan commissarissen. Daarnaast is de verwachting dat de directe betrokkenheid van de niet-uitvoerende bestuurders groter is dan die van commissarissen omdat de niet-uitvoerende bestuurders namelijk ook verantwoordelijk zijn voor het handelen en de beslissingen van de uitvoerende bestuurders. Ook zitten de niet-uitvoerende bestuurders dichter op het organisatiebeleid, en kunnen zij direct ingrijpen in de koers en de strategie van de organisatie. En aangezien het monistisch model internationaal veel bekender is dan het two-tier model heeft dit voordelen bij bedrijven die gelieerd zijn met buitenlandse (met name Angelsaksische) vennootschappen, en bij internationale fusies en overnames.

Als grootste nadeel wordt genoemd dat er geen duidelijk onderscheid is tussen uitvoering en toezicht. Dit wordt tevens als grootste voordeel van het two-tier model ten opzichte van het one-tier model genoemd; namelijk dat bij het dualistisch model de scheiding tussen bestuur en toezicht juist heel duidelijk geregeld is. Een ander nadeel van het one-tier model is dat de niet-uitvoerende bestuurder(s) een groter risico lopen persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld, dan een commissaris in het two-tier model.

Een ander nadeel van het one-tier board heeft te maken met de bepaling van de UBO (Ultimate Benificial Owner). In geval een pseudo-UBO worden alle statutaire bestuurder aangemerkt als pseudo UBO, dus zowel de uitvoerende als niet uitvoerende bestuurders.  

Wanneer kies je voor welk model?

In de praktijk zijn de verschillen tussen beide modellen steeds kleiner geworden. Dit wordt mede veroorzaakt doordat de eisen die aan commissarissen worden gesteld steeds hoger komen te liggen door de Corporate Governance Code. Het is daarom niet heel duidelijk aan te geven. Het is vooral verstandig om goed te bekijken welk model het beste bij de betreffende onderneming past. Wel is het denkbaar dat het one-tier model voor familiebedrijven een goede vorm kan zijn, omdat hier de afstand tot het uitvoerende bestuur minder groot is. Ook voor bedrijven die actief zijn in een snel bewegende of complexe markt kan het one-tier model een voordeel hebben.

Goede uitvoering is het allerbelangrijkst

Verder is het allerbelangrijkste bij beide modellen een goede uitvoering door de bestuurders en of commissarissen.

Is uw vraag nog niet beantwoord of hebt u behoefte aan advies, neem dan contact met ons op. Wij helpen u graag verder.

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Tijdelijke wet om onnodige corona-faillissementen te voorkomen

Tijdelijke wet om onnodige corona-faillissementen te voorkomen

Er is een tijdelijke wet om te voorkomen dat als gevolg van de corona-crisis ondernemingen nodeloos failliet verklaard worden. Deze nieuwe wet is op 17 december 2020 in werking getreden, en onlangs verlengd tot 1 juni 2021. Hieronder licht ik in het kort toe wat de wet in inhoudt.

Veel ondernemingen zijn door of als gevolg van de coronamaatregelen in financiële moeilijkheden gekomen en hebben moeite om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen. De diverse overheidsmaatregelen om de liquiditeitsproblemen van ondernemers te verlichten, bieden lang niet in alle gevallen voldoende soelaas. Deze ondernemingen lopen het risico failliet te worden verklaard wanneer hun schuldeisers niet willen of kunnen wachten totdat de liquiditeitsproblemen weer voorbij zijn.

Vermijdbare corona-faillissementen voorkomen

Hoofdstuk 2 van de Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV, nr. 35557 moet ervoor  zorgen dat vermijdbare faillissementen worden voorkomen. Om dat doel te bereiken, wordt de mogelijkheid geopend om de behandeling van faillissementsverzoeken die worden ingediend tegen in de kern gezonde ondernemingen, uit te stellen. De rechter kan een faillissementsverzoek voor maximaal twee maanden aanhouden. Deze termijn kan tweemaal met maximaal twee maanden worden verlengd.

Bescherming alleen voor in de kern gezonde ondernemingen

De onderneming wiens faillissement wordt aangevraagd moet wel zelf om het uitstel verzoeken en moet daarbij beknopt aannemelijk maken dat de liquiditeitsproblemen uitsluitend of hoofdzakelijk zijn veroorzaakt als gevolg van de uitbraak van COVID-19. Dit wordt vermoed het geval te wanneer de onderneming vóór de corona-uitbraak voldoende liquide middelen had om zijn opeisbare schulden te voldoen, en sinds de uitbraak een omzetverlies heeft van ten minste 20% ten opzichte van de gemiddelde omzet in drie voorgaande maanden.

Uitstel kan alleen worden verleend wanneer het vooruitzicht bestaat dat de onderneming na het uitstel zijn schuldeisers wel zal kunnen voldoen, al is het door middel van een betalingsregeling.

De rechter zal de belangen van de onderneming wiens faillissement is aangevraagd en de belangen van de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd tegen elkaar afwegen. De belangen van die schuldeiser mogen door het uitstel niet wezenlijk of onredelijk worden geschaad.

Uitstel van betaling voor reeds opeisbare schulden

Zolang het uitstel geldt, kan de onderneming niet worden gedwongen de vordering van de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd, te voldoen. Uitstel van de behandeling van de faillissementsaanvraag leidt dus tevens tot uitstel van betaling. Dit geldt overigens alleen voor de vorderingen die opeisbaar zijn geworden voordat het uitstel wordt verleend. De vorderingen die daarna opeisbaar worden – voor bijvoorbeeld nieuwe bestellingen of voor een nieuwe huurtermijn – moeten wel betaald worden. In het verlengde van dit betalingsuitstel kan de onderneming aan de rechter vragen dat de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd niet zonder machtiging van de rechter goederen van de onderneming kan uitwinnen of opeisen.

De onderneming moet tijdens het uitstel overigens wel oppassen met de betaling van reeds opeisbare schulden aan andere schuldeisers. Bestaat er voor de betaling van die andere schulden geen voldoende rechtvaardiging en wordt uiteindelijk toch het faillissement uitgesproken, dan kan de curator dergelijke betalingen wellicht terugdraaien (actio pauliana) of bestuurders persoonlijk aansprakelijk stellen. Een voorbeeld van voldoende rechtvaardiging is wanneer die betalingen noodzakelijk zijn om de levering van essentiële grondstoffen te waarborgen.

Niet-betaling geen reden voor verlies van contracten

Zolang het uitstel geldt, mag de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd de niet-betaling niet aangrijpen als grond voor de beëindiging of opschorting van de onderliggende overeenkomst. Dit is nodig om te voorkomen dat waardevolle overeenkomsten verloren gaan en de onderneming om die reden alsnog geen gelegenheid heeft de coronatijd te overleven.

Schorsing van executie en opheffing van beslag

Ook als schuldeisers van een onderneming niet het faillissement aanvragen, maar wel overgaan tot beslaglegging of tot uitwinning van een zekerheidsrecht (pandrecht of hypotheek) kan de onderneming aan de rechter vragen hier een stokje voor te steken. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor de toewijzing van een verzoek tot uitstel van de behandeling van een faillissementsverzoek.

Wil je hier meer over weten, neem dan contact met mij op. 

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Op welke diensten van advocaten is de Wwft van toepassing

Diensten van advocaten waarop de Wwft van toepassing is

Advies of bijstand bij:

  • het aan- of verkopen van registergoederen
  • het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of andere waarden
  • het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dan wel het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer daarvan
  • het aan- of verkopen van aandelen in, of het geheel of gedeeltelijk aan- of verkopen dan wel overnemen van ondernemingen, vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
  • werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van belastingadviseurs
  • het vestigen van een recht van hypotheek op een registergoed

De Wwft is ook van toepassing op advocaten voor zover zij optreden in naam en voor rekening van een cliënt bij enigerlei financiële transactie en onroerende zaak transactie.

balanceren

Nieuwe wet regelt bestuurdersaansprakelijkheid bij verenigingen en stichtingen

Ben ik persoonlijk aansprakelijk? Dat zal menig bestuurder of toezichthouder van een vereniging of stichting zich af en toe afvragen. Dat is heel verstandig, zeker nu de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) is aangenomen en per 1juli 2021 van kracht wordt. Hierin worden ook de regels voor de persoonlijke aansprakelijkheid gewijzigd. In dit artikel lees je hoe het zit met bestuurdersaansprakelijkheid bij verenigingen en stichtingen. Ook wordt aandacht besteed aan aansprakelijkheid van toezichthouders. Spoileralert: vooral bestuurders en toezichthouders van semipublieke verenigingen en stichtingen moeten dit weten.

Verenigingen en stichtingen zijn er in vele soorten en maten. Er bestaan kleine verenigingen en stichtingen met een uit vrijwilligers bestaand bestuur. Er bestaan ook hele grote verenigingen en stichtingen die over een professionele staf en een gesalarieerde dagelijkse leiding beschikken. Bij grote verenigingen en stichtingen is er niet zelden een raad van toezicht (RvT) /raad van commissarissen (RvC) ingesteld, om toezicht te houden op het bestuur, en om het bestuur te adviseren.

De laatste jaren is de roep om een grotere aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders / commissarissen steeds luider geworden. De gedachte hierachter is dat een zwaardere aansprakelijkheid preventief werkt, omdat het bestuurders en toezichthouders stimuleert, om zorgvuldiger en professioneler te werken.

Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR)

Na een jarenlange voorbereidingsperiode is in november 2020 eindelijk de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) aangenomen. Deze wet treedt op 1 juli 2021 in werking. Een van de onderdelen van de wet is de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders / commissarissen van verenigingen en stichtingen. De regels hiervoor worden grotendeels gelijk getrokken met de reeds bestaande regels voor NV’s en BV’s.

De aanstaande inwerkingtreding van deze nieuwe wet is een goede reden om stil te staan bij de aansprakelijkheidsrisico’s van bestuurders en toezichthouders / commissarissen van verenigingen en stichtingen.

Aansprakelijkheid nader bekeken

Persoonlijke aansprakelijkheid

Hoewel het besturen van een vereniging of stichting vaak vrijwilligswerk is, is het nooit vrijblijvend. Iedere bestuurder, betaald of onbetaald, wordt namelijk geacht deze taak serieus te nemen. De wet eist -ook nu al- dat bestuurders hun taak behoorlijk vervullen. Gebeurt dat niet dan kan dat leiden tot hun persoonlijke aansprakelijkheid. Ook toezichthouders (commissarissen) die hun toezichthoudende taak niet naar behoren uitvoeren, lopen het risico van persoonlijke aansprakelijkheid.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur

Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders (commissarissen) kan aan de orde zijn als er  (bijvoorbeeld):

  • onverantwoorde risico’s worden genomen
  • verplichtingen worden aangegaan die de spankracht van de vereniging of stichting overstijgen
  • ingrijpende beslissingen worden genomen zonder goede voorbereiding en advies
  • risicovolle leningen worden verstrekt, die niet in het belang zijn van de vereniging of stichting
  • de raad van toezicht onvoldoende wordt geïnformeerd
  • sprake is van tegenstrijdige belangen, onzakelijke afspraken en/of ondoorzichtige financiële verhoudingen met derden

Uiteraard valt ook fraude onder onbehoorlijk bestuur. Gelukkig leidt niet iedere verkeerd uitgepakte beslissing tot persoonlijke aansprakelijkheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid moet er sprake zijn van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het moet gaan om ernstig verwijtbare handelingen. Handelingen die geen enkel redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben verricht.

Collectieve verantwoordelijkheid

Goed bestuur is een collegiale verantwoordelijkheid van alle bestuurders. Bij kennelijk onbehoorlijk bestuur zijn alle bestuurders aansprakelijk. Maar een bestuurder kan hieraan ontkomen als hij/zij bewijst dat hem/haar geen ernstig verwijt gemaakt kan worden. Een bestuurder kan bijvoorbeeld wijzen op gemaakte afspraken over de onderlinge taakverdeling. Ook zal hij/zij moeten aantonen dat hij/zij gedaan heeft wat mogelijk was om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden.

Bijvoorbeeld: fraude, gepleegd door twee bestuursleden, waardoor de organisatie voor een groot bedrag wordt benadeeld, kan ook voor de niet direct bij de fraude betrokken andere medebestuurder(s) tot persoonlijke aansprakelijkheid leiden. Iedere bestuurder wordt namelijk verwacht op de hoogte te zijn van de financiën.

Wettelijke en statutaire bepalingen

Van onbehoorlijk bestuur is ook sprake wanneer gehandeld wordt in strijd met wettelijke en/of statutaire bepalingen die de vereniging of stichting beschermen. Denk hierbij aan bepalingen die voorschrijven welke beslissingen niet door het bestuur maar door de raad van toezicht (RvT) / raad van commissarissen (RvC) moeten worden genomen dan wel goedgekeurd. Ook de verplichting om de RvT / RvC tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens te verschaffen, behoort hiertoe.

Verschillende vormen van verenigingen en stichtingen

Commerciële verenigingen en stichtingen

Drijft een vereniging of stichting een onderneming, dan is zij onderworpen aan vennootschapsbelasting, en is er sprake van een commerciële vereniging of stichting. Wordt zo’n vereniging of stichting failliet verklaard, dan kunnen bestuurders soms gemakkelijker aansprakelijk gesteld worden. Dat is het geval wanneer de boekhouding niet op orde of is de jaarrekening niet (tijdig) bij het handelsregister is gedeponeerd. De wet bepaalt dat dan sowieso vaststaat dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Bovendien wordt dan vermoed dat het onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement en moet de bestuurder maar proberen te bewijzen dat het faillissement een andere oorzaak had. Deze zwaardere aansprakelijkheid, die overigens nu al bestaat, is gelijk aan die voor bestuurders van NV’s en BV’s.

Semipublieke verenigingen en stichtingen

Met de WBTR krijgen ook semipublieke verenigingen en stichtingen te maken met deze strengere aansprakelijkheidsregels. De zwaardere aansprakelijkheidsregels die nu al gelden voor NV’s en BV’s en voor commerciële verenigingen en stichtingen gaan dan ook gelden voor verenigingen en stichtingen die wettelijk verplicht zijn om een financiële verantwoording op te maken die gelijk(waardig) is aan de jaarrekeningen die NV’s en BV’s moeten maken. Dat zijn – kort gezegd – de semipublieke verenigingen en stichtingen. Denk aan woningcorporaties, onderwijsinstellingen, zorginstellingen en pensioenfondsen.

Gewone verengingen en stichtingen

Voor bestuurders en toezichthouders van een gewone vereniging of stichting, zoals een sport- of gezelligheidsvereniging of een goede doelen-stichting, leidt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen niet tot een wezenlijke verzwaring van hun aansprakelijkheid.

Aanbeveling

Ben je bestuurder of toezichthouder van een vereniging of stichting? Verricht je werk dan met de nodige zorg en aandacht. En let er op dat ook je medebestuurders dat doen. In het algemeen hoef je dan niet bang te zijn voor persoonlijke aansprakelijkheid. Uiteraard blijft het verstandig om te overwegen een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.

De nieuwe wet brengt voor de meeste verenigingen en stichtingen geen wezenlijke verzwaring van de aansprakelijkheid met zich mee. De meest in het oog springende wijziging is dat semipublieke verenigingen en stichtingen onder dezelfde regels gaan vallen die nu al gelden voor commerciële verenigingen en stichtingen en voor NV’s en BV’s. Bestuurders en toezichthouders van semipublieke verenigingen en stichtingen moeten nog meer dan nu op de financiën letten.

In het voorgaande heb ik op hoofdlijnen geschetst hoe het zit met de bestuurdersaansprakelijkheid bij verenigingen en stichtingen. Wil je advies over een concrete situatie, neem dan contact op.

Is uw vraag nog niet beantwoord of hebt u behoefte aan advies, neem dan contact met ons op. Wij helpen u graag verder.

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.