Regulus Advocatuur Regulus Advocatuur
  • Home
  • Ondernemingsrecht
  • Financieel recht
  • Kennis
    • Blog
    • Whitepapers
  • Over ons
    • Rik Harmsen
    • Ellis Samsom
    • Netwerkpartners
    • Corporate secretary
  • Contact
  • Ondernemingsrecht-blog
  • Financieel recht-blog
Grove nalatigheid bij betaalfraude: wie draagt de bewijslast?

Grove nalatigheid bij betaalfraude: wie draagt de bewijslast?

Rik Harmsen Financieel recht-Blog 26 maart 2026

Betaalfraude. Het overkomt meer mensen dan je denkt. En als het jou overkomt, begint al snel de discussie: wie is er verantwoordelijk — jij of de bank?

In navolging van de Europese Richtlijn 2015/2366 (PSD2) regelt artikel 7:529 van het Burgerlijk Wetboek de verdeling van de aansprakelijkheid tussen de bank of creditcardmaatschappij — die ik hierna kortweg ‘de bank’ noem — en de consument. Heeft de consument opzettelijk of met grove nalatigheid de veiligheidsvoorschriften niet nageleefd, dan komt de schade volledig voor zijn rekening.

De vraag is dan: wanneer is er sprake van grove nalatigheid, en wie moet dat bewijzen?

De bank moet bewijzen — niet de consument

Het juridische uitgangspunt is helder. De bewijslast dat sprake is van grove nalatigheid rust op de bank. Dat volgt rechtstreeks uit de Europese Richtlijn, die uitdrukkelijk een hoog niveau van consumentenbescherming beoogt. Het is dus aan de bank om aannemelijk te maken dat de consument ernstig tekort is geschoten — bijvoorbeeld door de pincode te delen of onzorgvuldig om te gaan met inloggegevens. De consument hoeft niet zijn eigen onschuld te bewijzen.

Banken hebben zelden hard bewijs

In de praktijk is dit voor banken vaak lastig. In veel fraudezaken is onduidelijk hoe een derde überhaupt toegang heeft gekregen tot de rekening of creditcard. Phishing? Onderschepte gegevens? In veel gevallen weet niemand precies hoe het is gegaan.

Juist omdat de toedracht vaak niet kan worden vastgesteld, lukt het banken regelmatig niet om hard bewijs te leveren van grove nalatigheid. Strikt genomen zou dat moeten betekenen dat de bank haar stelling niet kan bewijzen — en dus in het ongelijk wordt gesteld.

Het Kifid legt de rekening bij de consument

Toch pakt het in de praktijk vaak anders uit. In procedures bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) is een tendens zichtbaar waarbij het Kifid de consument vraagt om op zijn minst enige toelichting te geven voor de wijze waarop de fraude heeft kunnen plaatsvinden.

Wanneer de consument die verklaring niet kan geven — wat in veel gevallen niet lukt — wordt dit in zijn nadeel uitgelegd. De redenering lijkt dan te zijn dat het ontbreken van een plausibele verklaring duidt op onzorgvuldig gedrag, en dus op grove nalatigheid.

Een juridisch instrument dat hier te ver gaat

Deze benadering is ingegeven door het leerstuk van de ‘verzwaarde motiveringsplicht’ — door het Kifid ook wel ‘bezwaarde motiveringsplicht’ genoemd. Dit houdt in dat van een partij nadere feitelijke informatie mag worden verlangd, wanneer relevante gegevens zich in zijn domein bevinden.

Op zichzelf is die gedachte begrijpelijk. Maar toch wringt het in dit soort fraudezaken. De cruciale informatie — hoe de fraudeur precies te werk is gegaan — bevindt zich immers niet in het domein van de consument. Het gaat om gedragingen van een derde, vaak via technische of misleidende methoden waar de consument geen zicht op heeft gehad. Van de consument kan dan moeilijk worden verlangd dat hij daarover een concrete en verifieerbare toelichting geeft.

Het toepassen van een verzwaarde motiveringsplicht gaat in deze context dan ook te ver. Waar de relevante informatie buiten het bereik van de consument ligt, mag niet van hem worden geëist dat hij die informatie verstrekt. Het bewijsrisico blijft dan volledig rusten op de partij die de bewijslast draagt: de bank. Als het ontbreken van een verklaring aan de consument wordt tegengeworpen, leidt dat er feitelijk toe dat de bewijslast wordt omgekeerd, zonder dat daarvoor een juridische basis bestaat.

De Europese bescherming wordt zo een lege huls

Dit roept fundamentele vragen op. Is het gerechtvaardigd om van consumenten te verlangen dat zij uitleggen hoe zij slachtoffer zijn geworden van vaak geavanceerde en moeilijk te doorgronden fraude? De beschermingsregel verliest zijn betekenis op het moment dat de consument feitelijk wordt gedwongen het tegendeel te bewijzen.

Naar mijn mening staat deze jurisprudentie van het Kifid op gespannen voet met het beschermingsniveau dat de Europese Richtlijn juist beoogt te waarborgen.

Conclusie

De beoordeling van grove nalatigheid bij betaalfraude blijft een complex vraagstuk. Hoewel het juridische uitgangspunt duidelijk is — de bank moet bewijzen — laat de praktijk zien dat deze regel niet altijd strikt wordt toegepast. Het Kifid is in deze gevallen te streng voor de consument.

Het is wenselijk dat het Kifid zich rekenschap blijft geven van het beschermingsdoel van de Richtlijn. Alleen dan kan worden voorkomen dat consumenten — die al slachtoffer zijn van fraude — ook juridisch worden afgestraft voor iets wat hun overkomen is.

Zie over dit onderwerp ook:

Betaalfraude deel 1: "Slachtoffer van betaalfraude? De bank moet betalen, en snel ook"

Slachtoffer van betaalfraude? De bank moet betalen, en snel ook

Slachtoffer van betaalfraude? De bank moet betalen, en snel ook

Rik Harmsen Financieel recht-Blog 19 maart 2026

Er is geld van uw bankrekening of creditcard verdwenen zonder dat u daar toestemming voor heeft gegeven. Wat nu? En wat zijn uw rechten?

De hoofdregel: de bank vergoedt de schade direct

Wie slachtoffer wordt van betaalfraude heeft recht op directe compensatie door de bank of creditcardmaatschappij. Dat is geen gunst, maar een recht — vastgelegd in Europees recht. De grondslag is artikel 73 lid 1 van de Europese Richtlijn 2015/2366 (ook wel PSD2 genoemd). In Nederland is dit recht opgenomen in artikel 7:528 van het Burgerlijk Wetboek.

Uitzondering

Op die hoofdregel bestaat één uitzondering: de bank hoeft niet te betalen als er een redelijk vermoeden bestaat dat de rekeninghouder zelf heeft gefraudeerd. Maar dat vermoeden moet wel gegrond en objectief zijn — de bank kan niet zomaar met een beschuldigende vinger wijzen.

Nog een tweede uitzondering?

In de Nederlandse praktijk passen zowel de gewone rechter als het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) nog een tweede uitzondering toe. Banken zijn volgens vaste jurisprudentie ook niet verplicht om te vergoeden wanneer de rekeninghouder opzettelijk of met grove nalatigheid de bij het betaalmiddel geldende veiligheidsvoorschriften niet heeft nageleefd.

Een voorbeeld: het is niet toegestaan om uw pincode bij uw betaalkaart te bewaren, of uw pincode met iemand anders te delen. Doet u dat toch, en wordt u daardoor slachtoffer van fraude, dan kan de bank een beroep doen op grove nalatigheid.

Maar is het wel juist dat rechters en het Kifid deze tweede uitzondering toepassen? Dat staat nu ter discussie.

Advocaat-Generaal bij Europese Hof: geen tweede uitzondering

Over de toelaatbaarheid van die tweede uitzondering wordt momenteel geprocedeerd bij het Europese Hof van Justitie in Luxemburg (HvJEU). De Advocaat-Generaal bij dat Hof — een invloedrijke adviseur wiens adviezen het Hof in de meeste gevallen volgt — heeft zijn standpunt inmiddels gegeven.

Zijn conclusie is helder: wanneer er sprake is van betaalfraude, moet de bank de rekeninghouder onmiddellijk compenseren. De enige geldige uitzondering is fraude door de rekeninghouder zelf. In dat geval moet de bank dat bij de toezichthouder melden — in Nederland is dat de AFM.

Zijn redenering is dat de Richtlijn uitdrukkelijk tot doel heeft een hoog niveau van consumentenbescherming te bieden. Het zou daarmee onverenigbaar zijn als banken zich aan hun vergoedingsplicht kunnen onttrekken door te stellen dat de rekeninghouder de veiligheidsvoorschriften niet heeft nageleefd. Dat zou er namelijk toe leiden dat de consument zelf naar de rechter moet stappen om zijn geld terug te krijgen — en dat is nu juist wat de Richtlijn wil voorkomen.

Eerst betalen, pas daarna terugvorderen

Het advies van de Advocaat-Generaal betekent niet dat een rekeninghouder straffeloos de veiligheidsvoorschriften aan zijn laars kan lappen. De benadering is echter een andere dan nu gebruikelijk is.

De bank moet eerst betalen. Vervolgens — als de bank van mening is dat de rekeninghouder opzettelijk of met grove nalatigheid de veiligheidsregels heeft geschonden — kan de bank de betaalde compensatie terugvragen. Zo nodig via de rechter.

Mijn observaties over deze zaak

Afwachten, het Hof heeft nog geen uitspraak gedaan

Het advies van de Advocaat-Generaal is nog geen bindende uitspraak. Het Hof van Justitie moet zich er nog over uitspreken. Naar mijn inschatting is de kans groot dat het Hof dit advies volgt, mede omdat consumentenbescherming voor het Hof zwaar weegt. Maar zekerheid is er nog niet.

Betaalde compensatie kan later nog worden teruggevorderd

In de benadering die de Advocaat-Generaal voorstaat, heeft een door de bank betaalde vergoeding nog geen definitief karakter. De bank kan de al uitbetaalde compensatie achteraf nog terugvorderen als zij meent dat de rekeninghouder opzettelijk of met grove nalatigheid heeft gehandeld.

Zolang de bank niet uitdrukkelijk laat weten af te zien van terugvordering, heeft de consument geen zekerheid dat hij de ontvangen compensatie definitief mag behouden. Dat terugvorderingsrecht verjaart pas na vijf jaar — en die termijn kan bovendien steeds opnieuw worden gestuit. De onzekerheid voor de consument kan dus jaren voortduren. Dat vind ik moeilijk te rijmen met het hoge niveau van consumentenbescherming dat de Richtlijn beoogt.

Kifid versus de gewone rechter: ongelijke posities

Consumenten die een klacht hebben over een bank, kunnen in Nederland laagdrempelig terecht bij het Kifid. Ze hoeven daarvoor geen advocaat in te schakelen en lopen geen risico op een kostenveroordeling als ze de procedure verliezen.

Maar als een bank compensatie wil terugvorderen, kan zij dat niet bij het Kifid doen. Zij moet dan een procedure starten bij de gewone rechter. En dat verandert de positie van de consument ingrijpend, want bij verlies riskeert hij een veroordeling in de proceskosten. En gaat het om een bedrag boven de € 25.000, dan is de consument bovendien verplicht een advocaat in de arm te nemen en griffierecht te betalen.

Ook dat staat naar mijn mening op gespannen voet met een hoog niveau van consumentenbescherming.

En dan is er nog de kwestie van het bewijs

Tot slot een punt dat in de lopende Europese zaak niet aan de orde is, maar in de praktijk minstens zo belangrijk is: hoe wordt eigenlijk vastgesteld of er sprake is van grove nalatigheid?

Dat de bank die bewijslast draagt, staat buiten kijf — dat volgt rechtstreeks uit de Richtlijn. Maar in veel gevallen is het simpelweg niet duidelijk hoe een derde toegang heeft gekregen tot de bankrekening of creditcard van de consument. De bank kan dan niet bewijzen dat er sprake is van grove schuld. In beginsel zou dat moeten betekenen dat de bank de procedure verliest.

Toch gebeurt dat niet altijd. Rechters en het Kifid komen banken tegemoet door van consumenten te verlangen dat zij op zijn minst enige toelichting geven hoe de fraude mogelijk was. En omdat ook consumenten dat vaak niet weten, wordt er al snel aangenomen dat zij wel grof nalatig zijn geweest.

Naar mijn mening strookt die aanpak niet met het hoge niveau van consumentenbescherming dat de Richtlijn beoogt. Waarom dat zo is, verdient een uitgebreidere bespreking, die ik in een afzonderlijk blogartikel zal geven.

Zie over dit onderwerp ook:

Betaalfraude deel 2: "Grove nalatigheid bij betaalfraude: wie draagt de bewijslast?"

Gerechtshof: Kredietopzegging OAD was niet onaanvaardbaar

Gerechtshof: Kredietopzegging OAD was niet onaanvaardbaar

Rik Harmsen Financieel recht-Blog 23 februari 2024
  • zorgplicht
  • toetsingskader

De bekende reisorganisatie OAD bankierde bij Rabobank. In 2013 zegde Rabobank het krediet op, waarna OAD haar eigen faillissement heeft aangevraagd. De voormalig aandeelhouders van OAD vonden dat niet terecht en spanden een procedure aan tegen Rabobank. Zowel de rechtbank als het hof hebben de vorderingen afgewezen (link arrest). Naar mijn mening geen verrassende uitspraak. Maar wel in zoverre interessant om weer even onder de aandacht te brengen wat het toetsingskader is bij een opzegging van een kredietovereenkomst door de bank. Het is goed om te weten dat het toetsingskader ook geldt voor een aanpassing door de bank van de kredietvoorwaarden.

Maatschappelijke zorgplicht

Allereerst hebben banken een maatschappelijke zorgplicht. Vanwege hun maatschappelijke positie en bijzondere deskundigheid rust op banken een (algemene en bijzondere) zorgplicht jegens hun klanten. De inhoud en reikwijdte van deze zorgplicht hangen af van de omstandigheden van het geval, waaronder

  • de aard van de betrokken rechtsverhouding
  • het bijzondere risico van het desbetreffende product of de dienst
  • de eventuele deskundigheid en relevante ervaring van de (particuliere) cliënt, en diens inkomens- en vermogenspositie
Contractuele zorgplicht

Naast bovengenoemde maatschappelijke zorgplicht hebben banken, op grond van artikel 2 Algemene Bankvoorwaarden, ook een contractuele zorgplicht. Die contractuele zorgplicht houdt in dat banken bij hun dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht nemen en daarbij naar beste vermogen rekening houden met de belangen van de cliënt.

Uitspraak hof

Het hof oordeelde dat OAD geen bijzondere bescherming toekomt tegen het nemen van (onverantwoorde) financiële risico’s, zoals die tegenover consumenten bestaat. Daarvoor was bepalend dat OAD een professioneel en groot bedrijf was, met een ervaren bestuur dat zich had voorzien van deskundige adviseurs. Bovendien was dat het verleende krediet geen complex product.

De kredietovereenkomst bepaalde dat Rabobank redelijke voorwaarden mocht stellen wanneer de solvabiliteitsratio wordt geschonden en dat Rabobank de relatie met OAD mocht opzeggen. Het hof benadrukt dat het onder omstandigheden voor een bank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn om gebruik te maken van deze contractuele bevoegdheden. Bij deze beoordeling van de omstandigheden van het geval speelt ook de algemene contractuele zorgplicht van artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden een rol en moeten de belangen van partijen tegenover elkaar worden afgewogen. Dat had de Hoge Raad in 2014 beslist in het arrest ING/De Keijzer.

Helaas voor OAD vond het hof dat Rabobank niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar had gehandeld.

Wanneer moet uw bank u waarschuwen voor sectorrisico's? Belangrijke uitspraak over zorgplicht bij zakelijke kredieten

Wanneer moet uw bank u waarschuwen voor sectorrisico's? Belangrijke uitspraak over zorgplicht bij zakelijke kredieten

Rik Harmsen Financieel recht-Blog 06 februari 2026

Op 5 september 2025 deed de Hoge Raad een belangrijke uitspraak in een zaak tussen een melkveehouderij (hierna: de maatschap) en de Rabobank. De kern van deze zaak is de vraag hoe ver de zorgplicht van een bank reikt bij het verstrekken van een zakelijk krediet, in het bijzonder als het gaat om het informeren over risico's van mogelijke toekomstige wetswijzigingen. In dit geval ging het om de invoering van het fosfaatrechtenstelsel.

De casus: melkveehouder loopt vast op fosfaatrechten

De maatschap vroeg een financiering aan bij de Rabobank om haar bedrijf uit te breiden, vooruitlopend op de afschaffing van het Europese melkquotum per 1 april 2015.

De afschaffing van het melkquotum maakte de weg vrij voor een grotere veestapel en dus meer melkproductie, maar bracht een nieuwe beperking scherp in beeld: het fosfaatproductieplafond. Dit plafond was een cruciale voorwaarde voor de uitzonderingspositie (derogatie) die Nederland had verkregen onder de Europese Nitraatrichtlijn. Een overschrijding zou het einde van deze derogatie betekenen. De overheid had dan ook reeds aangekondigd dat er productiebeperkende maatregelen zouden volgen als de sector dit plafond zou doorbreken.

De hoeveelheid rechten die een bedrijf kreeg, werd gekoppeld aan de veestapel op een cruciale peildatum: 2 juli 2015. De maatschap had de uitbreiding van haar veestapel pas na deze datum gerealiseerd. Het gevolg was dat zij onvoldoende fosfaatrechten kreeg toegekend en voor een aanzienlijk bedrag extra rechten moest bijkopen om de gedane investering rendabel te maken.

De maatschap vond dat de Rabobank had moeten waarschuwen voor dit specifieke, sectorgerelateerde risico.

Wat zegt de Hoge Raad over de bancaire zorgplicht?

De Hoge Raad bevestigt dat banken vanwege hun maatschappelijke functie, ook bij zakelijke kredietverlening, een bijzondere zorgplicht hebben. Hoewel deze zorgplicht beperkter is dan bij consumenten, kan deze onder omstandigheden wel degelijk inhouden dat een bank moet nagaan of een ondernemer zich bewust is van risico's die voortvloeien uit mogelijke toekomstige wetswijzigingen.

De Hoge Raad formuleert het als volgt: "De maatschappelijke functie van banken brengt een bijzondere zorgplicht mee. Het kan daarbij onder meer gaan om onderzoeks-, advies-, informatie- en waarschuwingsplichten. De inhoud en de reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht hangen mede af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico's."

In het verlengde hiervan herhaalt de Hoge Raad dat een geldlening geen ingewikkeld product is.

Kennisasymmetrie is de sleutel

Het gerechtshof had eerder in deze zaak geoordeeld dat aannemelijk is dat Rabobank de maatschap niet heeft gewaarschuwd. De Hoge Raad nam dit oordeel niet over. Het gerechtshof had namelijk onvoldoende gekeken naar de argumenten van de Rabobank die erop wezen dat de maatschap voldoende kennis had, of had moeten hebben. De zaak is om deze reden terugverwezen naar een ander hof, dat deze punten alsnog moet beoordelen.

De omvang van de bijzondere zorgplicht van een bank bij zakelijke kredietverlening hangt onder meer af van de kennis en het inzicht van de kredietnemer. Het belang van de bijzondere bancaire zorgplicht weegt zwaarder naarmate er een grotere kennisasymmetrie bestaat tussen bank en kredietnemer. Die kennisasymmetrie kan onder meer bestaan bij ingewikkelde bancaire producten of wanneer een bank zich toelegt op het bedienen van een specifieke sector.

Wat betekent dit voor u als ondernemer?

Hoewel de zaak nog geen definitief einde kent, biedt de uitspraak van de Hoge Raad belangrijke handvatten voor ondernemers die een zakelijk krediet afsluiten:

1. Vraag actief naar sectorspecifieke risico's

Als uw bank zich specialiseert in uw branche (zoals Rabobank in de agrarische sector), mag u verwachten dat zij u wijst op aangekondigde of dreigende wetswijzigingen die uw investering kunnen beïnvloeden. Vraag hier expliciet naar.

2. Leg afspraken schriftelijk vast

Documenteer welke informatie u van uw bank heeft ontvangen over risico's en marktomstandigheden. Dit is cruciaal als het later mis gaat. Een ondertekende offerte of kredietvoorstel is niet genoeg—leg ook het adviesgesprek vast.

3. Toon uw eigen kennis aan (of het gebrek eraan)

De zorgplicht van de bank hangt mede af van uw eigen deskundigheid. Bent u niet bekend met sectorontwikkelingen? Maak dat duidelijk. Andersom: als u zich presenteert als een ervaren ondernemer, kan de bank erop vertrouwen dat u zelf verantwoordelijkheid neemt.

4. Let op bij andere vergelijkbare situaties

Dit arrest is relevant voor alle sectoren waar overheidsingrijpen dreigt of is aangekondigd. Denk aan:

  • Stikstofwetgeving in de veehouderij en bouw
  • Energielabelvereisten in de vastgoedsector
  • Wijzigingen in fiscale regelingen (bijvoorbeeld MKB-regelingen)
  • PFAS-normering in de chemische industrie

Conclusie: wees alert en vraag door

De boodschap is helder: banken hebben een bijzondere zorgplicht, maar de omvang daarvan hangt af van de omstandigheden. Als ondernemer kunt u niet achterover leunen, maar u mag wel verwachten dat uw bank—zeker als die zich specialiseert in uw sector—u actief informeert over relevante risico's. Vraag ernaar, leg het vast, en neem zelf ook verantwoordelijkheid voor uw kennis van de sector.

Heeft u vragen over de zorgplicht van uw bank bij kredietverlening? Neem gerust contact op voor een vrijblijvend adviesgesprek.

Uitspraak Hof van Justitie van de EU inzake de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten roept nog steeds de nodige vragen op

Uitspraak Hof van Justitie van de EU inzake de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten roept nog steeds de nodige vragen op

Rik Harmsen Financieel recht-Blog 11 juli 2023

Dit artikel gaat over een Poolse kwestie. Dit kan ook voor Nederland van belang zijn, omdat hierin EU-recht een rol speel. Aan de orde is de volgende vraag: Wanneer een geldlening ongeldig blijkt te zijn, kan de consument dan recht hebben op een compensatie voor de winst die een bank heeft gemaakt met rentebetalingen die de bank van de consument heeft ontvangen?

Wat speelde er?

In 2008 had een Poolse consument een hypotheeklening afgesloten bij een Poolse bank. De lening was gekoppeld aan de Zwitserse frank, maar de maandelijkse termijnen moesten betaald worden in Poolse zloty na omrekening volgens de omrekeningstabel van de bank. In september 2011 is deze overeenkomst aangepast en kreeg de consument de mogelijkheid om de maandtermijnen rechtstreeks in Zwitserse frank te betalen.

In 2021 begon de consument een juridische procedure tegen de bank. Daarin stelde hij dat de tot 2011 geldende contractsbepaling over de betaling van de maandtermijnen in Poolse zloty oneerlijk was op grond van een Europese Richtlijn (Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten). De geldleningsovereenkomst was om die reden ongeldig. Hierdoor had de bank in de periode tussen 2008 en september 2011 de maandelijkse termijnen zonder rechtsgrond ontvangen. En in deze procedure vorderde de consument van de bank een vergoeding voor de winst die de bank met de maandelijkse termijnen had gemaakt.

Terugbetaling door de bank van de door de consument betaalde krediettermijnen zelf, evenals de terugbetaling door de consument van het door de bank betaalde leningbedrag was in deze procedure niet aan de orde. Kennelijk was dat al langs een andere procedure of regeling tussen partijen afgewikkeld. In deze procedure ging het dus alleen om vraag of de consument recht had op een vergoeding voor de winst die de bank gemaakt had met de maandtermijnen.

Prejudiciële vragen

Als er onduidelijkheid bestaat over de uitleg van EU-regels kunnen rechters van de lidstaten daarover (prejudiciële) vragen stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De nationale rechter zal vervolgens in het voorliggende geschil een beslissing nemen met inachtneming van de uitspraak van het hof.

De Poolse rechter waar de procedure aanhangig was, stelde prejudiciële vragen aan het hof. De rechter wilde weten of de vordering die de consument had ingesteld verenigbaar is met de Richtlijn.

Oordeel van het Hof van Justitie

Het hof oordeelde dat de Richtlijn niet expliciet de gevolgen regelt van de ongeldigheid van een overeenkomst en dat die gevolgen door het nationale recht van de lidstaten zelf moeten worden geregeld. Maar die regeling moet wel verenigbaar zijn met EU-recht en in het bijzonder met doelstellingen van de Richtlijn. Dat houdt in dat in geval van een ongeldige bepaling of ongeldig contract de consument geplaatst moet worden in een positie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de betreffende bepaling of contract niet zou hebben bestaan. Bovendien mag geen afbreuk worden gedaan aan de door de Richtlijn beoogde afschrikwekkende werking. Verkopers die zaken doen met consumenten moeten namelijk ontmoedigd worden om oneerlijke bedingen te gebruiken in hun overeenkomsten.

Een vordering van een consument tegen een bank tot vergoeding van de door de bank met de onterecht ontvangen betalingen gemaakte winst doet volgens het hof geen afbreuk aan de hiervoor genoemde doelstellingen. De vordering is dus op grond van het EU-recht in beginsel toelaatbaar. Maar het is aan de nationale rechter om te beoordelen of een dergelijke vordering van een consument voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, zodat de vordering van de consument niet verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van de met de Richtlijn gestelde doelen.

Daarentegen geldt dat de bank niet het recht heeft om een soortgelijke compensatie te vorderen van de consument. Het toestaan van zo’n vordering zou volgens het hof het afschrikwekkend effect van de Richtlijn ongedaan maken en zou afbreuk doen aan de door de Richtlijn beoogde bescherming van consumenten tegen oneerlijke bedingen. Het hof wijst er op dat in deze zaak de ongeldigheid van de lening het gevolg was van de door de bank in het leven geroepen oneerlijke contractvoorwaarden. Het is dan niet aanvaardbaar dat de bank de economische gevolgen daarvan op de consument afwentelt.

Consument-vriendelijk

Het hof heeft een consument-vriendelijke beslissing gegeven. Het toekennen van een compensatie voor de winst die de bank heeft gemaakt met de ten onrechte ontvangen betalingen is verenigbaar met de Richtlijn. De omgekeerde vordering van de bank is dat niet. Of de compensatievordering van de consument ook naar Pools recht kan worden toegewezen, moet door de Poolse rechter worden beoordeeld.

Doorwerking naar Nederland

Of deze uitspraak ook voor de Nederlandse praktijk grote gevolgen zal hebben, valt nog te bezien. Weliswaar komt het ook hier voor dat rentebetalingen van consumenten aan banken ongeldig zijn omdat de contractvoorwaarden daarover oneerlijk blijkt te zijn. Maar de voorwaarden waarop naar Pools recht een dergelijke vordering (wegens ongerechtvaardigde verrijking) kan worden toegewezen, lijken op het eerste gezicht ruimer te zijn dan de Nederlandse vereisten voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.

Naar Nederlands recht is voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ook een verarming nodig van degene die de vordering instelt. De vergoeding is nooit meer dan het hoogste bedrag van ofwel de verrijking ofwel de verarming. Voor Nederlandse consumenten die een dergelijke vordering willen instellen, is het dus de vraag of zij zijn verarmd, en zo ja met hoeveel. Ook misgelopen inkomsten kunnen gelden als verarming. In een dergelijk geval zou het bijvoorbeeld kunnen gaan om gederfde rente-inkomsten of beleggingsopbrengsten wanneer aannemelijk is dat de consument in plaats van rentebetalingen te doen op een achteraf ongeldig gebleken lening die bedragen zelf had belegd of gespaard.

Tot slot

Deze uitspraak van het Hof van Justitie van de EU laat zien dat de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten nog steeds de nodige vragen oproept. De uitspraken van het hof hierover zijn ook voor Nederland van belang.

  1. Eerst overleggen, dan pas veilen
  2. Verjaring van de vordering tot schadevergoeding; soms is juridisch inzicht nodig
  3. Rentederivaten: banken gaven u een reddingsvest, maar pakten hem weer af toen de storm opstak

Pagina 1 van 2

  • 1
  • 2

Regulus Advocatuur & Conflictmanagement

030 – 693 45 50 / 06 - 296 000 10
info@regulusadvocatuur.nl
www.regulusadvocatuur.nl

Huis ter Heideweg 24A
3705 LZ Zeist
Nederland

BTW nummer NL001518104B72
KvK nummer 30281730

Privacybeleid   |   Algemene voorwaarden   |   Klachtenregeling   |   Disclaimer   |   Waarnemingsregeling   |   Wwft-informatie

Ⓒ 2023 Regulus Advocatuur - Alle rechten voorbehouden   |   Powered by BM-Media

  • Home
  • Ondernemingsrecht
  • Financieel recht
  • Kennis
    • Blog
    • Whitepapers
  • Over ons
    • Rik Harmsen
    • Ellis Samsom
    • Netwerkpartners
    • Corporate secretary
  • Contact