De voorgestelde regeling kan leiden tot een beperking van de rechten van vergadergerechtigden

Eén van de vereisten om een elektronische vergadering te kunnen houden (hetzelfde geldt voor het ontzeggen van de fysieke toegang) is dat vergadergerechtigden vooraf in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk of elektronisch vragen te stellen. Deze vragen worden voorafgaand aan de vergadering of uiterlijk tijdens de vergadering – al dan niet thematisch – beantwoord. De antwoorden worden op de website van de rechtspersoon geplaatst of via een elektronisch communicatiemiddel toegankelijk gemaakt.

Tijdens de vergadering zelf kunnen alleen “nadere vragen” gesteld worden (art. 6 lid 3, art. 11 lid 3 en art. 18 lid 3). Daaruit volgt dat het recht om nadere vragen te stellen alleen bestaat indien er ook vooraf al over hetzelfde onderwerp vragen zijn gesteld, waarbij het echter onduidelijk is of die voorafgaande vragen door de zelfde vergadergerechtigde gesteld moeten zijn. De Toelichting bij de regeling stelt dat voorwaarde voor het stellen van nadere vragen is dat men vóór de vergadering schriftelijke vragen heeft ingediend.

Ik acht niet een onwenselijke en ook overbodige beperking van het recht van vergadergerechtigden om tijdens een algemene vergadering vragen te stellen. Soms zal de noodzaak of behoefte om vragen te stellen pas tijdens de vergadering ontstaan, bijvoorbeeld naar aanleiding van hetgeen door een andere aanwezige is gesteld. Het ware dan ook beter om het woord “nadere” uit de hiervoor genoemde bepalingen te schrappen.

Daarbij valt ook het onderscheid op tussen de bewoordingen van de bepaling voor de NV enerzijds en die voor de vereniging en de BV anderzijds. Voor de NV is bepaald dat het bestuur er zorg voor draagt dat er nadere vragen gesteld kunnen worden tijdens de vergadering. Bij de vereniging en de BV rust op dit onderdeel op het bestuur slechts een inspanningsplicht. Dit verschil dat in de Toelichting bij de regeling niet wordt toegelicht lijkt mij ongewenst. Bovendien is een dergelijk onderscheid niet nodig, mede omdat in alle gevallen de uitzondering op deze regeling dezelfde is: “tenzij dit in het licht van de omstandigheden van dat moment in redelijkheid niet kan worden gevergd.”

Voor vergadergerechtigden van verenigingen en vennootschappen die reeds de mogelijkheid van elektronische deelname aan een vergadering kennen is deze regeling bovendien een verslechtering van hun rechten. In de huidige wettelijke regeling geldt immers als één van de vereisten dat de vergadergerechtigde door middel van een elektronisch communicatiemiddel ook het woord moet kunnen voeren. Dat houdt uiteraard ook in het recht op het kunnen stellen van vragen.

Daarnaast wordt in de wet voorzien dat enige afwijking van de leden 2 en 3 van de artikelen 6, 11 en 18 geen gevolgen heeft voor de rechtsgeldigheid van de besluitvorming. Het verdient aanbeveling dat door de regering wordt toegelicht hoe “enige” in dit verband moet worden gelezen. Taalkundig kan “enige” namelijk ofwel “iedere” ofwel “een geringe” betekenen. De vraag rijst bovendien of dit artikellid niet gemist kan worden, gelet op het bepaalde in artikel 2:8 BW en artikel 15 lid 1 onder b BW. De in deze bepalingen opgenomen expliciete verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid bieden de rechter reeds de ruimte om in concrete gevallen afhankelijk van de omstandigheden van het geval een oordeel te geven over de juridische gevolgen. De in lid 4 voorgestelde formulering zou – mijns inziens ten onrechte – de indruk kunnen wekken dat de in de artikelen 2:8 en 2:15 BW genoemde redelijkheid en billijkheid niet aan de orde is.

Terug